Anamnese, somatiek en de diagnose van een eetstoornis

Vermoed je een eetstoornis bij een patiënt? Of doet een patiënt dat zelf? Dan moet er een diagnose gesteld worden om verder te kunnen. We zetten de belangrijkste stappen op een rij.

 

Anamnese

Heeft een patiënt psychische klachten, maag-darm-leverklachten of menstruatieklachten? Dan moet je vragen stellen over eetproblematiek. Hiervoor kun je de signalenkaart eetstoornissen gebruiken.

Signalenkaart eetstoornissen
Download 282 KB

In de Zorgstandaard Eetstoornissen staat het volgende over anamnese gericht op eetstoornissen. De patiënt kan je vertellen over:

  • zijn of haar eetpatroon en braken;
  • zijn of haar lichaamsbeeld;
  • zijn of haar gedachten over eten en gewicht;
  • het minimum- en maximumgewicht in de laatste jaren en het gewichtsverloop;
  • andere klachten, vooral rondom de menstruatie;
  • het gebruik van medicijnen, met name medicijnen die de eetlust stimuleren (zoals corticosteroïden), laxeermiddelen, diuretica en afslankpillen;
  • het gebruik van alcohol of drugs;
  • obsessief bewegen of sporten, of hyperactief zijn;
    als er sprake is van obesitas: wat het gewicht was op de kinderleeftijd en of er sprake is van hyperfagie (een opvallend grotere eetlust die al in de kindertijd begint).

 

Somatiek

Lichamelijk onderzoek is een vast onderdeel van de diagnostiek en is altijd nodig. Zo stel je de mate van ondervoeding vast, herken je complicaties en sluit je andere oorzaken voor ondervoeding of overgewicht uit. Meet de lengte, gewicht, bloeddruk en pols en herhaal dit regelmatig bij vervolgafspraken. Voor specifieke bevindingen staat er de Zorgstandaard een tabel.

 

De diagnose

Als de symptomen overeenkomen met de DSM-5-criteria, is er een duidelijke diagnose. Belangrijkst hierbij zijn de afwijkende lichaamsbeleving van je patiënt en zijn of haar beperkte energie-inname in verhouding tot de energie die hij of zij nodig heeft.

Bij prepuberale kinderen is er vaak geen sprake is van een ernstig gewichtsverlies, maar eerder van een stagnatie in verwachte gewicht- en lengtetoename. Voeg daarom een eetstoornis toe aan de differentiële diagnostiek bij kinderen met een onverklaard afbuigen van de groeicurve.

 

Aanvullend onderzoek

Met aanvullend onderzoek stel je de diagnose definitief vast. Je sluit zo andere diagnoses af en stelt de ernst van de eetstoornis vast. Je kunt de volgende aanvullende onderzoeken doen:

  • Labaratoriumonderzoek

Klachten kunnen door metabole complicaties afwezig zijn bij je patiënt, of niet door hem of haar gemeld worden. Daarom moet je bij patiënten waarbij je een eetstoornis vermoedt minstens één aanvullend laboratoriumonderzoek doen. Wat je precies moet testen, zie je in onderstaande tabel. In de Zorgstandaard Eetstoornissen vind je hier meer informatie over. Wees je ervan bewust dat veel waarden kunnen afwijken door purgeren of ondervoeding. Er hoeft niet altijd een relatie te zijn tussen de ernst van de ondervoeding en de uitslagen.

  • Een ECG

Volgens de Zorgstandaard Eetstoornissen moet je bij patiënten bij wie sprake is van ondervoeding of purgeren een ECG maken. Hiermee spoor je een QTc-tijdverlenging en tekenen van hypokaliëmie op. Bij een aangetoonde QTc-tijdverlenging vermijd je QTc-tijdverlengende medicijnen – en zeker combinaties daarvan. De normaalwaarden vind je hier.

  • Groeigegevens en gewicht

Ondergewicht stel je voor volwassenen anders vast dan voor kinderen. Bij volwassenen gebruik je meestal de body mass index (BMI = gewicht/(lengte)2 = kg/m2). Bij een BMI-percentage lager dan 18,5 is er sprake van ondergewicht. Bij kinderen kun je het beste een groeicurve met longitudinale punten reconstrueren om een eventuele lengte-groei-afbuiging vast te stellen.

 

(Bron: Zorgstandaard Eetstoornissen, 2020)