Interview Eline, moeder ‘Jasper’
“Toen Jasper in zijn eindexamenjaar zat, ging hij wat meer sporten, wat beter op zijn eten letten, dat soort dingen. Eerst juichten we dat toe. Maar op een gegeven moment merkten we dat hij er heel rigide in werd. Het moest zo en niet anders, hij wilde op bepaalde tijdstippen eten, niet eerder of later. Hij kon ook in de stress schieten als een bepaald ingrediënt niet in huis was.
Jasper was tot die tijd een kind dat altijd netjes binnen de lijntjes kleurde, hij was nooit heel dwars of zo.Dus ik dacht: tja, hij doet het niet helemaal zoals wij het willen, maar we hebben nu gewoon een puber in huis. Wij schaarden het onder die noemer.
Jasper ging nooit veel met vrienden op pad. Hij was altijd rustig, zat veel op zijn kamer. Dat werd in die tijd geleidelijk meer. Eigenlijk ging hij ‘duiken’: hij vermeed situaties waarin wij vragen zouden kunnen stellen. Hij ging zijn eten maken als wij er niet waren en hij at op zijn kamer. Op een gegeven moment had hij een bijbaantje in een tuincentrum. Hij nam altijd zijn eigen lunch mee van huis. Die stond hij elke dag uitgebreid klaar te maken, daar was hij echt heel lang mee bezig.
Bij mij ontstond toen wel een niet-pluis-gevoel. Hij at allemaal dingen die op zich gezond waren, maar het eten was één groot ritueel geworden. En het was heel lastig voor hem om daarvan af te wijken.
Onze ongerustheid groeide, maar het was ook ongrijpbaar. Die periode waarin je voelt dat het niet goed zit, maar het nog niet kan omschrijven, is moeilijk. Je ziet dingen die je niet kent van je kind. Het helpt als er iemand is die weet waar hij naar moet vragen en kan dóórvragen. Dat heb ik wel gemist.
Op een dag gingen we hem op zijn werk verrassen. We bleven even om een hoekje naar hem kijken en toen viel me op: jemig, wat is zijn lichaam veranderd. Vlak daarna maakten we met het gezin een reis naar Thailand. In Thailand is natuurlijk alles anders, ook het eten. En op vakantie ben je constant bij elkaar en zie je alles. In één klap werd duidelijk dat hij echt problemen met eten had.
Na de vakantie zijn we hulp gaan zoeken. Bij de GGZ werd in no-time een team om ons heen gevormd. Met een internist, een diëtist, een psycholoog, een psychiater, een ergotherapeut, noem het maar op. Ineens ben je niet meer in je eentje alles aan het uitvogelen, maar voel je je gestut.
We zijn boeken gaan lezen, video’s gaan kijken over eetstoornissen. Ik heb een online sessie Eerste Hulp bij Eetstoornissen gevolgd bij Stichting Kiem. Daar was een ervaringsdeskundige bij en dat heeft erg geholpen. Mensen met een eetstoornis kunnen je zo voor de gek houden. Dat doen zij niet zelf, dat doet de eetstoornis. Je denkt: dit is toch niet mijn kind? Het is heftig, ontwrichtend. Het helpt enorm als je snapt hoe dat werkt.
Als het heel slecht met je kind gaat, praat je niet over waarom die eetstoornis is ontstaan, welk probleem eronder zit. Maar daar moet je wel naartoe. Bij Jasper kwamen we erachter dat hij het op zijn zeventiende eigenlijk heel eng vond om op de drempel van de wereld te staan: hoe doe je dat, wie ben je? Faalangst en een gebrek aan zelfvertrouwen speelden ook mee. Niet-eten werkte als verdoving.
Nu gaat het gelukkig goed met hem. Het herstel ging stap voor stap. Na een tijd zocht hij ons weer meer op, kwam hij vaker uit zijn kamer. Op een gegeven moment kwam hij beneden eten. En op een dag stond hij met ons te praten in de keuken, terwijl wij stonden te koken. Dat was lange tijd echt onmogelijk, daar kreeg hij te veel stress van. Ja, dan blijf je cool, maar ondertussen sta je van binnen keihard te juichen.”