Interview Klaartje, moeder ‘Sophie’

“Ik dacht dat ik hyperalert was als het om mijn kinderen ging. Mijn zoon heeft Duchenne, een progressieve spierziekte, en al tijdens mijn zwangerschap vóelde ik dat er iets niet klopte. Maar bij Sophie duurde het lang voor ik merkte dat er iets mis was. Het begon toen ze 14 was. We namen een vriendinnetje van haar mee op vakantie. Een meisje met een heel andere lichaamsbouw dan onze dochter. Sophie was sportief, ze turnde en danste, maar ze ging zich vergelijken met iemand die 30 centimeter langer was. Ze raakte gefixeerd op haar bovenbenen, die moesten dunner. Dat zei ze niet met zoveel woorden, maar wel dat ze gezonder wou eten en meer sporten. Ergens voelde ik dat ze wel erg bezig was met haar lichaam, maar ik dacht: ze is in de puberteit, het hoort er een beetje bij. En ik heb zelf ook weleens periodes gehad dat ik vond dat ik te dik was.

Bij onze zoon was ik degene die dat niet-pluisgevoel kreeg. Maar bij Sophie was het mijn man. Hij is zelf ook heel dun geweest, hij heeft geen eetstoornis gehad, maar deed wel tussen zijn veertiende en zeventiende obsessief aan karate en kickboksen. Hij herkende misschien haar focus, het perfectionisme dat hij ook heeft. Sophie was ook altijd extreem onzeker, had faalangst, dat hadden we al gezien op school. Na de vakantie trok ze zich vaker terug in haar kamer. En ze ging ons onder druk zetten als het tijd werd voor het avondeten, dat werd een beladen moment. Wij letten nooit zo op wat ze precies at. Omdat we niet alle maaltijden samen aten, hadden we er ook geen goed zicht op. Geleidelijk aan kwamen er meer confrontaties met haar over eten en hoe het klaargemaakt moest worden. Ze kon echt exploderen. Toen ik terugkwam van een reis naar Colombia, zag ik hoe erg haar lichaam veranderd was. Toen hebben we de huisarts gebeld.

Nu zeg ik: maak het metéén bespreekbaar als je ziet dat je kind ineens anders omgaat met eten. Op een liefdevolle manier. Het onderwerp moet op tafel komen en niet pas als iemands lichaam veranderd is. Je moet durven luisteren naar je onderbuikgevoel. Allemaal dingen die ik zelf niet heb gedaan. Ik ben wetenschappelijk opgeleid, ik weet de weg in de zorg, ik weet op welke knoppen ik moet drukken. Maar het begint pas als je durft te voelen: dit is niet pluis. Bij mijn zoon was ik al snel aan het googelen: waarom gaat mijn zoon niet kruipen, waarom praat hij niet? Ik heb nooit gegoogeld: waarom wil mijn dochter niet eten? Ik denk dat dat met mijn eigen angst te maken had: ik zal toch niet nóg een ziek kind hebben? De kans dat mijn zoon door Duchenne niet ouder dan dertig wordt, is groot. Ik vond het een verstikkende gedachte dat ik straks twee dode kinderen zou hebben. En dat zij misschien nog eerder zou overlijden dan onze zoon.
Ik was radeloos in die tijd. En ongelooflijk bang. Ik wilde mijn kind niet ziek zien. Ik wilde niet dat het hele gezin overhoop lag. Want zij had het niet alleen, het had ook effect op mij en mijn man. Je ervaart dit allebei op je eigen manier en dan kan je relatie scheef groeien. Mijn man is een fikser, maar een eetstoornis fiks je gewoon niet. Dan moet je naast iemand gaan staan en blijven staan in diepe liefde en vol geduld.

Wij wisselden elkaar af in de zorg voor Sophie. Hij deed het praktische gedeelte, de afspraken en naar de kliniek rijden; ik deed het zorgen en ondersteunen thuis. En soms deed de een alles zodat de ander even kon rusten of de deur uit kon om even uit de dynamiek te zijn. Als je allebei alleen maar aan het zorgen bent, gaat het niet goed. Je moet zorgen dat je overeind blijft. We zijn ook aan onze relatie gaan werken en dat heeft erg geholpen. Je moet samen praten, dúrven praten, durven je emoties te benoemen. En je moet met compassie naar jezelf kijken.”