Hoe begeleid je een patiënt met een eetstoornis?

Een eetstoornis gaat vaak gepaard met schaamte, angst en controledrang. Daardoor kan een patiënt met een eetstoornis gedrag vertonen dat weerstand oproept. Hoe ga je daarmee om? En wat kun je concreet doen? We zetten de belangrijkste vragen en tips op een rij.

Annemarie van Bellegem, kinderarts bij het AMC: “Het is van cruciaal belang om te beseffen dat het gedrag van een kind met een eetstoornis, wat zeker weerstand op kan roepen, voortkomt uit een ernstige ziekte en niet uit wangedrag of een vrije keuze. Dit weten is belangrijk om zonder oordeel en zonder vooringenomenheid hulp te kunnen bieden aan een zeer kwetsbare groep van jonge mensen.”

 

Wanneer confronteer je iemand?

Een eetstoornis is een destructieve manier om met gedachten en gevoelens om te gaan. Dit wordt steeds sterker, waardoor je het verschil tussen de persoon en de eetstoornis steeds lastiger ziet. De eetstoornis lijkt de persoon over te nemen. Misschien zie je dat iemand obsessief met gewicht bezig is, zichzelf te dik vindt, veel is aangekomen of afgevallen, of zich terugtrekt. Herken je meerdere van deze signalen? Zet je bezorgdheid dan om in actie. Als je iemand wilt confronteren, houd deze twee vragen in je achterhoofd:

  • Erkent de patiënt dat er sprake is van een probleem?
  • Wil hij of zij hulp?

 

Hoe ga je een gesprek aan?

Het heeft meestal weinig zin om over hulp te beginnen als iemand niet erkent dat er een probleem is. Let er dus op dat je niet te snel gaat. Iemand met een eetstoornis is zelf verantwoordelijk voor het veranderen van zijn of haar gedrag – behalve als de geestelijke of lichamelijke gezondheid in gevaar is. Een aantal tips:

  • Ga na of jij de juiste persoon bent om het gesprek aan te gaan
    Is er misschien een collega die er geschikter voor is?
  • Denk goed na over wat je wilt bereiken
    Wil je vermoedens toetsen, of eerst bouwen aan vertrouwen? Het kan ook allebei tegelijkertijd, maar besluit dit vooraf.
  • Stel de persoon op zijn of haar gemak
    Begin met een luchtig onderwerp en bouw aan vertrouwen. Geef aan dat je blij bent om met elkaar te praten of geef complimenten.
  • Zeg niets over het uiterlijk
    Dit vat iemand met een eetstoornis vaak negatief op. Als je bijvoorbeeld zegt dat iemand er gezond uitziet, zal hij of zij denken dat hij dus dik is.
  • Zorg voor een prettige toon
    Hoe je de boodschap verpakt, heeft meer impact dan de inhoud zelf.
  • Bespreek de uitkomst met een collega
    Twee zien meer dan een. Het is bovendien goed om je zorgen te delen.
  • Ontkent de patiënt? Kom er dan later op terug
    En houd de vinger aan de pols. Soms moet je er meerdere malen op terugkomen, maar zo laat je zien dat iemand ertoe doet.

 

Wat doe je tijdens het gesprek?

Patiënten zijn er vaak niet klaar voor om alles in een keer te vertellen. Van jou verwachten ze dat je luistert en doorvraagt. Complimenteer met de moed om zelfs al een klein beetje te vertellen. Een aantal tips:

  • Stel open vragen
  • Luister actief en wees nieuwsgierig
  • Stel vervolgvragen
  • Vat samen, trek conclusies en vraag of dit klopt
  • Laat horen en merken dat je iemand begrijpt, maar doe geen aannames over iemands motieven, gevoelens of ervaringen
  • Deel overtuigingen en waarden die de zelfacceptatie kunnen vergroten
  • Onthoud dat de eetstoornis een reden heeft
  • Herken de bereidbaarheid om te veranderen
  • Accepteer dat veranderingen tijd kosten
  • Wees actief
  • Laat zien dat je aan dezelfde kant staat

Hoe informeer en motiveer je iemand?

  • Informeer de patiënt duidelijk en direct
    Zoals bij elke ziekte is het belangrijk om de patiënt te informeren over de ziekte, behandeling, de hoeveelheid tijd en geld die behandeling kunnen kosten en de prognose. Zo vergroot je het besef van de ziekte en geef je objectieve argumenten om een behandeling te overwegen. De ziekte benoemen zorgt daarnaast voor duidelijkheid. Informatie kun je bijvoorbeeld op de volgende manier delen:
    • Ik vroeg me af of je geïnteresseerd bent om wat meer te weten over….
    • Ik vraag me af of het voor jou goed zou zijn om je een paar dingen uit te leggen die voor andere mensen nuttig zijn geweest….
  • Gebruik de technieken voor motivational interviewing of coaching
    Je geeft dan objectieve feedback, accepteert iemands eigen verantwoordelijkheid om te veranderen, laat empathie zien en biedt direct advies en alternatieve behandelingsstrategieën.
  • Vergroot het inzicht
    Laat de patiënt bijvoorbeeld een lijst maken van voor- en nadelen van de eetstoornis.
  • Achterhaal de persoonlijke waarden van de patiënt
    Zo kun je onderzoeken of en hoe deze samenvallen met de de eetstoornis.
  • Houd het praktisch
    Om een overzicht te krijgen van het gedrag van de patiënt, kun je een typische dag in detail bespreken, inclusief maaltijden en sport. Soms kun je hem of haar daarbij confronteren met de gevolgen van de eetstoornis. Patiënten moeten vroeg geïnformeerd worden over de negatieve gevolgen van de eetstoornis en de mogelijkheden voor behandeling. Ze hebben aanmoediging nodig. En de geruststelling dat behandeling kan werken.

 

Hoe schakel je de ouders in?

Schakel altijd ouders of andere betrokkenen in. Breng de patiënt hiervan op de hoogte. Bespreek bijvoorbeeld samen hoe je ze het beste informeert.

 

Hoe voorkom je een terugval?

Misschien heb je te maken met een patiënt die een eetstoornis heeft gehad. Dan kun je betrokken zijn bij terugvalpreventie. Gebruik hiervoor de Richtlijn terugvalpreventie, opgesteld door Tamara Berends. Dit is belangrijk, een terugval kan altijd kan voorkomen. Vooral bij jongere patiënten is de kans in de eerste twee jaar na de behandeling groot. Een terugval bestaat uit vier stadia:

  1. In het eerste stadium is de persoon stabiel.
  2. In het tweede stadium zie je een lichte terugval. Gedachten die horen bij de eetstoornis komen soms terug en het anorectische gedrag neemt licht toe. Denk aan het overslaan van een tussendoortje, of kiezen voor veilige producten.
  3. Het derde stadium is een matige terugval. Hierbij worden de gedachten steeds sterker en beginnen te overheersen. In dit stadium wordt de terugval zichtbaarder.
  4. Het vierde stadium is een volledige terugval. Het gewicht van de patiënt is onder de 85% van het normale gewicht. Deze stadia verlopen snel als niemand in actie komt. Triggers spelen een grote rol (Berends, van Elburg en van Meijel, 2010).

Aan het einde van een behandeling stellen patiënten een terugvalpreventieplan op. Hierin brengen ze in kaart welke triggers zich voor kunnen doen en wat de eerste signalen van een terugval zijn. In het plan beschrijven ze wat ze op zo’n moment het beste kunnen doen. Jij kunt dit plan evalueren of bespreken, zodat je weet wat je patiënt nodig heeft – en wanneer.